Rechter haalt streep door nieuwe terrasbotenbeleid


Delft - Op 9 februari 2011 deed de Haagse bestuursrechter uitspraak in het geschil tussen de historische vereniging Delfia Batavorum, de Belangenvereniging Wateringsepoort en bewonersvereniging Grachtengebied Zuid en de gemeente Delft. Het gaat om het nieuwe terrasbotenbeleid dat in januari 2008 werd vastgesteld. Inzet van het geschil was de vraag of destijds de cultuurhistorische waarden zorgvuldig bij de afweging van de relevante belangen betrokken zijn geweest. De rechter oordeelt nu dat dat niet het geval was.  Daarmee haalt de rechter een streep door het nieuwe terrassenbeleid.  De daarop gebaseerde  ontheffingen voor twee terrasboten worden door de rechter vernietigd, en aan de gemeente wordt opgedragen om binnen vier weken nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de uitspraak. De gemeente Delft kan tegen deze uitspraak in hoger beroep gaan bij de Raad van State. Een hoger beroep betekent niet dat de gemeente intussen niet aan de uitspraak hoeft te voldoen.

Rechtbank: ‘Onbegrijpelijk’

Tot 2004 waren er acht ontheffingen verleend voor terrasboten in de Delftse grachten. Voordat het zover was, is er door het toen bestaande binnenstadsforum met alle betrokkenen over gesproken. Over deze acht ontheffingen, en de locaties, was iedereen het eens. In 2004 werd een nota Terrasbotenbeleid vastgesteld, waarin het beleid opeens werd verruimd: in alle aangewezen grachtenvakken mocht één terrasboot liggen. Daarmee werd het aantal toegestane terrasboten dus uitgebreid naar twaalf. In 2007 besloot de gemeenteraad om tijdelijk twee boten per grachtenvak toe te staan, en in 2008 werd deze tijdelijke oplossing definitief. De bezwaren van bewonersverenigingen en Delfia Batavorum werden terzijde geschoven omdat de bezwaren gericht waren tegen het beleid en niet zozeer tegen de ontheffingen. Dat kon volgens de gemeente niet en dus werden de verenigingen niet-ontvankelijk verklaard. Dit leidde tot een  langdurige procedure, tot aan de Raad van State. Die verklaarde de bezwaren wel degelijk ontvankelijk en oordeelde daarmee dat de gemeente een nieuw, inhoudelijk besluit moest nemen [1].

Ook tegen dat besluit - waarin de bezwaren nu ongegrond werden verklaard - moesten de verenigingen in beroep, en daarop volgt nu de uitspraak van de bestuursrechter. Hij vindt de motivering van de gemeente onbegrijpelijk. In 2004 zei de gemeente dat de beeldkwaliteit van de historische binnenstad werd beschermd door juist maar één boot per grachtenvak toe te staan. In de evaluatie van 2007 wordt dit herhaald, en wordt opgemerkt dat twee boten per grachtenvak een ongewenste verstoring van de beeldkwaliteit zou betekenen. In de nota van 2008 staat vervolgens dat de beeldkwaliteit wordt beschermd door een maximum van twee boten per grachtenvak. De rechter constateert dat deze stelling ‘nergens op is gebaseerd, althans onbegrijpelijk is in het licht van het eerdere beleidsstandpunt uit (…) 2004’. Omdat in het beleid het algemeen belang bij de historische binnenstad niet is meegewogen, voldoet het beleid niet aan de eisen van de Algemene wet bestuursrecht. De rechter verklaart het beroep daarom gegrond.    


[1] Deze uitspraak is op internet te vinden onder LJN BL1832; er verschenen twee annotaties op deze uitspraak: van prof. L.J.A. Damen in Administratiefrechtelijke Beslissingen (AB 2010/309) en van prof. Heldeweg in Jurisprudentie Bestuursrecht (JB 2010/68 pag. 267/271).

 


⇒ Terug naar Commissie Behoud Stadsschoon